Een kleine ontdekking van Spitsbergen

Een kort reisverhaal over mijn verblijf op Spitsbergen voor m'n studie

De noordse stern en de drieteenmeeuw

 

‘Sanne, achter je! IJsbeer!!!’ Sanne keek verschrikt om en liet bijna d’r kopje thee vallen. Het grote dier rende het dorp in. Ik sprong op en stormde naar beneden. ‘Polar bear!’ riep ik door de eetruimte. De paar mensen die in het gebouw aanwezig waren, renden naar de ramen. Boven op het dak installeerden een paar onderzoekers een telescoop, om het dier van heel dichtbij te kunnen zien. Ondertussen rende de beer langs het eetgebouw, richting het meertje Solvatnet bij het dorp. Ze vertraagde haar pas en stapte het water in. Daar stonden we, veilig op het dak van de eetruimte, met goed zicht op haar. Het was een vrouwtje. Niet helemaal wit, maar iets gelig. Groot en echt onwijs prachtig. Een kilo of 200. Wat een fantastisch mooi dier. Ik keek vol verwondering toe. Tegelijkertijd wist ik dat ze flink agressief kunnen zijn, en als je pech hebt, ook nog hongerig. Sanne stond naast me en zei: ‘Dat is precies de plek waar ik vanmiddag nog monsters aan het verzamelen was, en ik had geen spullen mee om me te verdedigen. Bizar…’. Gelukkig was er op dit moment verder niemand te zien in de buurt van de beer. Ze liep een beetje rond in het water, stapte er op een gegeven moment uit, schopte een kleine insectenval om en deed een grote boodschap. Het dier dwaalde een beetje rond, dook in het fjordwater, kwam er weer uit en dook er weer in.                                                                                  Na een minuut of 15 kwam een man tevoorschijn. Hij stapte naar voren, in de richting van de beer, die nu een stukje aan het zwemmen was. De man was de ijsbeerwacht, degene die altijd op de hoogte wordt gehouden over ijsberen in de omgeving. En de man die precies weet hoe je met beren om moet gaan. Hij pakte zijn signaalpistool en focuste met zijn ogen op de beer. Hij hief het wapen in een hoek van zo’n 45 graden ten opzichte van het water, en haalde de trekker over. Een explosief projectiel schoot uit het wapen en ontplofte hoog boven het dier. Deze schrok en zwom snel naar de overkant van het fjord, weg van het dorp. Pff, iedereen veilig en wel.

 

Wild, lief en agressief

De ijsbeer: één van de mooiste, maar ook één van de grootste risico’s op Spitsbergen. De archipel Svalbard, waar Spitsbergen deel van uitmaakt, en waar ik was, is het thuis van een paar duizend beren. Maar dat is niet het enige risico op dit land van gletsjers. Het landschap is ruig, kaal en koud. Zonder veilige en sterke beschutting, een val, geweer of hengel, overleef je het simpelweg niet. De bomen die er zijn, zijn maximaal 1 cm hoog, dus daarvan kun je hoogstens een poppenhuisje maken. Een stevig en warm zelfgebouwd huisje kun je dus wel vergeten. En zo’n hut is juist zo nodig om je te beschermen tegen de kou en de dieren. De ijsbeer is het grootste gevaar, maar er zijn meer dieren die ons daar liever kwijt zijn dan rijk. Vogels vallen je aan als je te dicht bij hun broedsel in de buurt komt. Eén van de soorten, de grote jager, vliegt bloedsnel op je af, met een gefixeerde blik op je ogen en op het moment dat je een flinke klap verwacht, schiet ie recht omhoog. De noordse stern pikt je op je hoofd, tot bloedens toe en schijt je helemaal onder. De grote burgemeester kan zo hard tegen je aan vliegen met z’n borstbeen dat je knock-out kunt gaan. Trouwens, de eerstgenoemde vogelsoort kan nog een trucje: de grote jager verzuipt je ook nog als je aan het zwemmen bent, en eet je al drijvend op. Dat gebeurde met een brandgans die door twee grote jagers gepakt was op het water.                                                                                                                                                                                                                                         Lief voor mensen, nee, dat zijn veel dieren op Spitsbergen niet. Echter wel heel lief voor zichzelf en hun kroost, want overleven is keihard in het noorden. En als iemand die poging wil dwarsbomen, dan zal diegene dat merken. Maar gelukkig zijn niet alle dieren agressief voor mensen. Er zijn genoeg vogelsoorten die vliegen voor hun leven als je in de buurt komt. En de meeste dieren in zee laten je gewoon met rust. Walvissen als de blauwe vinvis en de dwergvinvis zwemmen er kalm rond en eten hun gigantische maag vol. Of er nu een mens in de buurt is of niet.                                                                                                                    Al deze dieren leven in een omgeving waar de kou de baas is. Het gebied ligt vlak naast de noordpool en 60% van Svalbard bestaat uit gletsjers. Sneeuw en ijs is overal te zien, of het nu hartje zomer is, of midden in de winter. De naam Spitsbergen zegt het al: het land bestaat uit bergen met puntige toppen.                                                                                                                    De zon staat in de zomer maandenlang zowel overdag als ’s nachts aan de hemel. In de winter verdwijnt de zon voor maanden, en is de sterrenhemel overdag te zien -met een heel kleurenpalet aan noorderlicht- . Het is een onwijs prachtige, maar ook woeste plek.

 

Verblijf in het noordelijkste dorp ter wereld

 

Naast de dieren leven er ook mensen in dit koude gebied. In de hoofdstad Longyearbyen, maar ook in een dorpje veel verder naar het noorden, op 79 graden noorderbreedte: Ny-Ålesund. Dit is het noordelijkste dorp ter wereld. Het is een plek waar jaarlijks onderzoekers uit de hele wereld samenkomen om het kwetsbare Arctische gebied te onderzoeken. Ze genieten er van de schoonheid, maar de doelen van hun verblijf zijn om dit prachtige stukje natuur te begrijpen en om het te behouden. En dat een aantal dieren agressief zijn, neemt iedereen op de koop toe. Want wij betreden wel hun leefgebied, hún thuis. Logisch dat ze ons eruit willen schoppen. Maar toch zou je tegen ze willen schreeuwen: ‘Hou die verrekte snavel bij je, want ik ben hier om je te beschermen, niet om je op te eten!’                                                                                                                                                                           In Ny-Ålesund verbleef zo’n 150 man en we aten vrijwel altijd samen. In tegenstelling tot de koude omgeving, zorgden deze mensen voor warmte en gezelligheid. De groep bestond uit pakweg twee type mensen: zo’n 40 man die het dorp draaiende hield, waaronder koks, technici en administratieve medewerkers en daarnaast zo’n 110 man aan onderzoekers. Deze mensen kwamen uit alle windstreken: Nederland, Frankrijk, Noorwegen, India, de VS, China et cetera. Dit tweede aantal varieerde gedurende de zomer. Dit kwam gelukkig niet door overlijdensberichten door ijsberen, maar gewoon door het feit dat men steeds afgewisseld werd vanuit het thuisland. Elk jaar neemt aan het eind van de zomer het aantal flink af, tot het dorp in de winter maar door een man of 35 bewoond wordt. Samen maandenlang in de sneeuw, in de kou, met totale afwezigheid van de zon. Schijnt gezelliger te zijn dan je denkt.

 

Onderzoek in een ijsparadijs

 

Als student hoorde ik bij de onderzoekers. Ik keek naar de verspreiding van twee vogelsoorten langs de kustlijn in het fjord. Mijn onderzoeksobjecten waren de noordse stern en de drieteenmeeuw. De noordse stern is een vogeltje van rond de 100 gram dat elk jaar migreert van het Arctische noorden naar het Antarctische zuiden en weer terug, waarbij het dier afstanden kan afleggen van wel 90.000 km. Zulke afstanden maken deze soort tot de beste ‘migrant’ op aarde. De drieteenmeeuw trekt een stuk minder ver, maar was in grotere aantallen aanwezig in het fjord. Beide soorten komen naar Spitsbergen om er te broeden. En als je jongen hebt, moeten die ook gevoerd worden. En waar halen de volwassen dieren dan dat voedsel vandaan? Ik ging op zoek naar de locatie. Vind je ze alleen bij de oevers van de kusten, of vind je ze ook bij wat diepere gedeelten? En zitten ze vooral bij gletsjers of toch vooral bij kustlijn zonder veel ijs? Elke dag telde ik bij de haven alle vogels, en 1x per week maakte ik met collega’s een boottocht van zo’n 55 km langs de kust van het fjord. Het resultaat van het onderzoek: de drieteenmeeuw zoekt het liefst z’n eten bij de gletsjers en de noordse stern leek maar voor 1 gletsjer voorkeur te hebben. Bij dit resultaat hoort een 27 pagina’s tellend verslag. Als je het wilt lezen, kun je me het laten weten.  :)                                                                                                             Naast de noordse sterns en de drieteenmeeuwen kwamen we nog veel meer tegen tijdens de boottochten: heel veel andere vogels, baardrobben (dikke zeehonden met grote snorharen), grote witte en blauwe ijsschotsen, een uit het water rijzende walrus (heeeeel vet, staat op m’n netvlies gegrift), 3 beloega’s (witte dolfijnen met een groot voorhoofd) en ook nog een springende walvis in de verte. Het was een waar ijs-paradijs.                                                                                                                                   Gedurende mijn verblijf kreeg ik een steeds beter beeld van de biodiversiteit in het Arctisch gebied. M’n dierenlijst werd steeds meer aangevuld: plus 25 beloega’s, 22 walrussen, poolvossen, Svalbard rendieren (‘gewoon’ rendier, maar dan kortere poten), meerdere blauwe vinvissen, meerdere dwergvinvissen, gewone zeehonden, 1 ivoormeeuw en nog meer vogelsoorten. En dan de kleine dieren van de zee: een bijzonder grote garnaal, veel krill (walvisvoedsel) en een zee-engel (een zeediertje dat zwemt als een vliegende engel).                                                                                                                                                                    Maar het toppunt van de minizeedieren waren toch wel de ribkwallen: kwallen met een diameter van een paar centimeter, die alle kleuren van de regenboog lieten zien als ze in aanraking kwamen met zonlicht. Eens lag ik op m’n buik op een vlonder in het kleine haventje van Ny-Ålesund, te kijken naar al die kleurtjes in het water. Er kwam een Engelsman naar me toe, die benieuwd was waarnaar ik keek. Ik wees naar de ribkwallen in het water en hij kwam naast me zitten. Hij heette Mark, was een jaar of 50, en was in het dorp voor onderzoek aan de aurora, het noorderlicht. Hij keek met een glimlach naar de gekleurde dieren. Die had hij nog niet gezien, want hij keek alleen omhoog.                                                                                                                Na 2 maanden verblijf daar, was de omgeving aardig veranderd. Veel van de sneeuw en het ijs was gesmolten, het land was groener geworden, de gletsjers waren flink verkort, en de zon stond steeds lager aan de hemel.                                                                    Ik ging weg voor de winter aanbrak en liet een wit en groen landschap achter.

 

Als de echte kou terugkeert

 

Een paar weken later verdween de zon sinds maanden weer onder de horizon. Svalbard werd -door de schuine aardas en de positie van de aarde in haar baan rond de zon- langzaamaan afgekeerd van de zon en ging op weg naar de koude winter. Veel dieren vertrokken naar het warmere zuiden. De nieuwgeboren jongen van de noordse sterns begonnen aan hun eerste reis naar Antarctica, begeleid door hun ouders. Wat een ongelooflijke reis voor de jonge dieren. Svalbard werd langzaamaan weer ondergedompeld in maandenlange duisternis en maandenlange winterkou. Nog een aantal weken later zou zonlicht Svalbard niet eens meer kunnen bereiken. De stoerste dieren zijn dan achtergebleven. Zij die de kou en de maandenlange nacht moeten trotseren. Dieren met een isolerend verenpak, een warme vacht of een dikke speklaag.                                                                                           Terwijl het daar zo koud was, zat ik weer fijn in Nederland met vriend, familie en vrienden. Ik had 2 maanden geen sterrenhemel kunnen zien, geen bomen, en geen zangvogeltjes in vrolijke kleuren. Het enige zangvogeltje daar leek op een sneeuwbal met een snaveltje: de sneeuwgors. Heel lief, maar geen kleur in z’n verenkleed. Bij terugkomst kon ik de oer-Hollandse kleurenbolletjes zoals de putter en koolmees ineens weer waarderen. Ik voelde me al snel weer thuis in Holland, maar ik moet zeggen: het is stiekem wel een gemis om geen walrus of walvis meer in je achtertuin te hebben.